Hoe haak je? Stap voor stap haken voor beginners

Written by

in

Haken doe je door met een haaknaald lussen van garen door elkaar te trekken en zo steken te vormen. Elke steek bouw je op dezelfde manier op: je haalt garen door een lus op de naald. Dat klinkt simpeler dan het is, maar als je de basishandelingen eenmaal in de vingers hebt, gaat het snel. In dit artikel lees je precies hoe je haakt, van de allereerste lus tot je eerste rij steken.

Wat je nodig hebt om te beginnen met haken

Je hebt maar twee dingen nodig: garen en een haaknaald. De dikte van de naald moet passen bij de dikte van het garen. Op elke bol garen staat een aanbevolen naaldmaat, uitgedrukt in millimeters. Als beginner kies je het makkelijkst voor een dikker garen (bijvoorbeeld 4 tot 6 mm naaldmaat), omdat je de steken dan goed kunt zien. Een te dun garen maakt het moeilijker om te tellen en te controleren of je het juist doet.

Verder heb je geen gereedschap nodig. Een schaar en een naald om de draadeinden weg te werken zijn handig, maar daar kun je in het begin mee wachten.

Zo haak je: de beginlus en de luchtsteken

Elke haakwerk begint met een beginlus, ook wel slipknoop genoemd. Maak een lus in het garen, steek de naald erdoor, trek het garen aan en je hebt een beginlus die je kunt aanspannen. Dit is de eerste lus op je naald.

Daarna haak je een rij luchtsteken. Een luchtsteek maak je zo: sla het garen om de naald (van achter naar voren), en trek dat garen door de lus die al op je naald zit. Dat is één luchtsteek. Herhaal dit zo vaak als je patroon aangeeft. Met luchtsteken maak je de beginrij, die ook wel de ketensteek of beginstreng heet.

Hoe haak je een vaste steek?

De vaste steek is de meest gebruikte steek in het haken. Zo maak je hem:

  • Steek de naald van voren naar achteren door het tweede luchtsteekje van je beginrij (tel de lus op de naald niet mee).
  • Sla het garen om de naald.
  • Trek het garen door de steek. Je hebt nu twee lussen op de naald.
  • Sla het garen opnieuw om de naald.
  • Trek het garen door beide lussen tegelijk. Je hebt nu één lus over op de naald. Dat is je vaste steek.

Herhaal dit in elke volgende luchtsteek van je beginrij. Aan het einde van de rij draai je het werk om en haak je een keerststeek (één luchtsteek) voordat je de volgende rij begint.

De halve stokjes en stokjes: iets hogere steken

Als je de vaste steek begrijpt, is de stap naar een halve stokje of stokje klein. Bij een stokje sla je het garen eerst om de naald voordat je door een steek steekt. Zo ontstaat een hogere, lossere steek. Stokjes geven een luchtiger resultaat dan vaste steken en worden veel gebruikt bij omslagdoeken, mandjes en kleding.

Bij een halve stokje trek je het garen door alle drie de lussen tegelijk. Bij een volledig stokje doe je dat in twee stappen, met twee lussen tegelijk. Welke steek je gebruikt, staat altijd in het patroon.

Veelgemaakte fouten als je begint met haken

De meeste beginners haken te strak. De steken worden dan zo krap dat de naald er nauwelijks meer doorheen past. Probeer ontspannen te haken en de lussen niet te hard aan te trekken. Het garen mag om de naald bewegen, niet vastgeknepen zitten.

Een andere veelgemaakte fout is steken vergeten of er eentje te veel maken, waardoor je werk aan de zijkanten breder of smaller wordt. Tel aan het einde van elke rij je steken. Zo zie je meteen of er iets mis is gegaan, en kun je het makkelijker herstellen voordat je te ver bent.

Oefening helpt het meest. Haak gerust een stuk garen op en frogt het daarna (haal het los) om het opnieuw te proberen. De eerste paar centimeter zijn bijna altijd het lastigst, daarna gaat het vanzelf soepeler.

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *