Haken opzetten met losse steken (ook wel een lossenketting of beginselketting) is de meest gebruikte manier om je eerste rij op te zetten. Je maakt een reeks lossen die dient als basis voor je haakwerk. Dit is de standaardmethode die vrijwel elk haakpatroon gebruikt als startpunt.
Wat is een losse steek bij haken?
Een losse steek (los) is de eenvoudigste steek in het haken. Het is een kleine lus die je maakt door de haak door een bestaande lus te steken, de draad te pakken en die er doorheen te trekken. Één beweging, één nieuwe lus. Een reeks van deze steken aan elkaar noem je een lossenketting of beginselketting. Deze ketting vormt de basis van bijna elk gehaakt project.
Een los is ook de eerste steek die je leert als beginner, en dat is niet voor niets. Je oefent er direct mee hoe je de draad op spanning houdt, hoe je de haak vasthoudt en hoe je een gelijkmatige dikte opbouwt. Dat zijn precies de vaardigheden die je daarna nodig hebt voor elk ander type steek.
Haken opzetten met losse steken: stap voor stap
Zorg dat je een haaknaald hebt die past bij de dikte van je garen. Op het label van je garen staat welke maat haak aangeraden wordt. Begin je net? Kies dan een dik garen (bijv. 6 tot 8 mm haak) zodat je goed kunt zien wat je doet.
- Maak een beginlus. Leg de draad in een lus over je vinger, steek de haak erdoorheen en trek de draad strak. Dit is je startsteek (ook wel “striksteek” of “slipknot” genoemd). Zet hem niet te strak: de haak moet er soepel doorheen schuiven.
- Omslaan. Sla de draad om de haak. Dit doe je door de draad van achter naar voren over de haak te leggen.
- Doorhalen. Trek de omgeslagen draad door de lus op je haak. Je hebt nu één nieuwe lus op je haak: dit is je eerste losse steek.
- Herhaal. Sla opnieuw om en haal door. Elke keer dat je dit doet, maak je een nieuwe los. Tel mee zodat je het juiste aantal opzet dat je patroon vraagt.
Je beginselketting is klaar als je het gevraagde aantal lossen hebt. Zorg dat de ketting niet gedraaid is voor je verder gaat met de eerste rij steken.
Veelgemaakte fouten bij het opzetten
De meeste beginners haken de lossenketting te strak. De lussen zitten dan zo dicht op elkaar dat je er in de volgende rij moeilijk doorheen kunt. De oplossing: houd de draad iets losser, of gebruik één maat grotere haak alleen voor de beginselketting. Zo hou je de souplesse die je later nodig hebt.
Een andere valkuil is het tellen vergeten. Als je halverwege kwijtraakt hoeveel lossen je al hebt, wordt de basis te lang of te kort. Gebruik een markeerpennetje of leg om de tien lossen een kleine stitch marker. Dat scheelt een hoop uitraffelen.
Tot slot: niet elke los is even groot. Dat is normaal voor beginners. Hoe meer je oefent, hoe gelijkmatiger het wordt. Wil je sneller verbetering? Maak elke oefensessie vijf minuten lang een rij lossen, rafe ze los en begin opnieuw.
Hoeveel lossen moet je opzetten?
Dat staat altijd in je patroon. Maak je zonder patroon iets, dan geldt als vuistregel: meet de breedte die je wilt en haak een ketting die iets langer is dan die maat. Lossen trekken namelijk een klein beetje in als je de eerste rij haakt. Hoeveel lossen je nodig hebt, hangt ook af van welke basissteek je daarna gebruikt: vaste steken, halve stokjes of stokjes vragen elk een ander aantal opzetsteken per centimeter.
Als je eenmaal comfortabel bent met haken opzetten met losse steken, merk je dat de beginselketting de fundering vormt voor alles wat je daarna maakt. Een gelijkmatige, soepele ketting maakt het haakwerk daarna een stuk aangenamer en geeft een netter eindresultaat.

Leave a Reply