Een nieuwe kleur aanhechten bij het haken doe je door op het juiste moment over te stappen: trek de laatste lus van de vorige steek met de nieuwe kleur door, zodat de kleurwisseling precies op de goede plek valt. Dat klinkt simpel, en dat is het ook, als je de techniek eenmaal kent.
Op welk moment wissel je van kleur?
De kleurwissel vindt altijd plaats bij de laatste beweging van de vorige steek, niet aan het begin van de nieuwe. Bij een vaste steek betekent dit: haak de steek bijna af, zodat er twee lussen op je haaknaald staan. Dan pak je de nieuwe kleur en trek je die door beide lussen. De steek is nu voltooid in de nieuwe kleur. Bij een halve staaf of staaf werkt het precies zo: wacht tot de laatste doorhaling, en gebruik daar de nieuwe draad.
Waarom op dit punt? Omdat de bovenkant van een steek altijd de kleur krijgt van de doorhaling. Als je te vroeg of te laat wisselt, zie je een ongewenste kleurvlek in je werk.
Nieuwe kleur aanhechten haken: de stap-voor-stap methode
- Haak de laatste steek in de oude kleur bijna af. Bij een vaste steek: haal de draad door de steek zodat er twee lussen op de naald staan.
- Laat de oude kleur los (of houd hem vast aan de achterkant).
- Pak de nieuwe kleur. Laat een staartje van ongeveer 10 tot 15 centimeter hangen, zodat je het later kunt wegwerken.
- Trek de nieuwe kleur door de twee lussen op je naald. De steek is nu klaar in de nieuwe kleur.
- Ga verder met haken in de nieuwe kleur.
De losse draadeinden werk je achteraf weg door ze met een tapijt- of borduurnaald door de steken aan de achterkant van je werk te rijgen. Knip dan het resterende stukje af. Zo blijft de voorkant netjes.
De nieuwe kleur vastknopen of niet?
Veel haaksters knopen de twee draadeinden (oud en nieuw) aan de start even los aan elkaar. Dat voorkomt dat het werk loslaat terwijl je verder haakt. Knoop dat knoop je achteraf los voordat je de eindjes inwerkt, anders ontstaat er een bobbel in je werk. Wil je helemaal geen knoop? Dan is de methode met een dubbele lus een alternatief: vouw de nieuwe draad dubbel, haak er een lus van en ga direct verder. Dit werkt goed bij dikkere garens.
Draadjes wegwerken aan het einde
Werkt de kleurwissel halverwege een rij? Dan heb je aan beide kanten van de wissel een draadje hangen. Werk die altijd in langs de richting van de steken, niet dwars erop. Zo blijft de achterkant strak en voel je geen knopen door de stof. Bij amigurumi of andere gevulde werkjes kun je de eindjes ook in de vulling verstoppen.
Veelgemaakte fouten bij het wisselen van kleur
De meest voorkomende fout is de nieuwe kleur pas oppakken ná de laatste doorhaling. Dan loopt de kleurgrens een halve steek op en zie je een “gekantelde” overgang. Een andere valkuil is te strak spannen bij de eerste steek in de nieuwe kleur, wat een knik of pukkeltje geeft. Houd de nieuwe draad licht gespannen, maar niet strak aangetrokken.
Vergeet ook niet de meegehangen draden aan de achterkant van je werk. Bij veel kleurwisselingen in één rij kun je de ongebruikte draad meehaken (over de steken leggen en inhaken), zodat je minder eindjes hoeft in te werken. Dit heet “meehaken” of “floaten” en werkt goed bij kleurpatronen zoals tapisserie haken.
Met een beetje oefening voelt de kleurwissel al snel als een vanzelfsprekend onderdeel van het haken. Het punt van wisselen, dat ene trekje met de nieuwe draad, is alles wat je hoeft te onthouden.

Leave a Reply