Haken opzetten doe je door eerst een opzetlus te maken en daarna een opzetketting te haken. Dat is de basis van elk haakproject: zonder goede beginrij kun je niet verder. Of je nu voor het eerst een haaknaald vasthoudt of even de techniek wilt opfrissen, dit stappenplan legt je precies uit hoe het werkt.
Wat je nodig hebt voordat je begint
Je hebt een haaknaald en haakgaren nodig. De dikte van de naald staat op het label van je garen. Een veelgebruikte maat voor beginners is een 4 of 5 mm naald, gecombineerd met medium dik katoen- of acrylgaren. Dik garen en een grote naald zijn makkelijker te zien en voelen prettiger in de hand als je nog oefent.
Houd de naald vast zoals een potlood: je duim en wijsvinger houden de naald vast, net onder het abacadabra-gedeelte (het platte stukje midden op de naald). Sommige mensen houden de naald liever als een mes, met de hand erover. Beide manieren werken. Kies wat het meest ontspannen aanvoelt, want een gespannen hand vermoeit snel.
De opzetlus maken: de allereerste stap bij haken opzetten
Leg een stukje draad van ongeveer 15 centimeter langs je hand. Dit is de losse eindjes die je later wegwerkt. Maak met de rest van het garen (dat doorrolt naar het bol) een lus door de draad over zichzelf heen te leggen. Steek de naald door die lus en haal het lange stuk garen er doorheen. Trek voorzichtig aan beide uiteinden totdat de lus om de naald zit: stevig, maar niet knijpend. De naald moet er soepel in kunnen bewegen.
Dit is de opzetlus. Hij telt niet als steek. Sommige beginners tellen hem mee en raken dan van slag als hun eerste rij niet klopt. Onthoud dus: de opzetlus zit op de naald, maar telt niet.
De opzetketting haken: zo maak je je beginrij
Nu maak je een opzetketting, ook wel luchtsteken of kettingsteken genoemd. Zo doe je dat:
- Houd het garen vast met je andere hand. Leg het garen over je wijsvinger en houd de losse draad met je pink en ringvinger vast. Zo kun je de spanning regelen.
- Draai de naald een kwartslag en haal de naald onder het garen door, dan er overheen. Dit heet een slagje omslaan.
- Trek het slagje door de lus op de naald. Er zit nu één nieuwe lus op de naald. Dit is één luchtsteek.
- Herhaal dit. Elke keer sla je het garen om en trek je het door de lus.
Zorg dat de ketting niet te strak en niet te los is. Te strak betekent dat je naald er straks moeilijk doorheen gaat. Te los en je steken worden onregelmatig. Een goede maat is dat de naald er net soepel doorheen past zonder dat je moet trekken.
Hoeveel luchtsteken moet je opzetten?
Dat hangt af van je patroon. Elk haakpatroon geeft aan hoeveel luchtsteken je nodig hebt om te beginnen. Maak je iets zonder patroon, zoals een simpele sjaal? Zet dan zoveel steken op als de gewenste breedte vraagt. Haak een proeflapje van 10 steken, meet de breedte en reken dan uit hoeveel je nodig hebt voor je project.
Wanneer je klaar bent met je ketting, begin je de eerste rij steken. Je haaknaald gaat dan door de lussen van de ketting, niet door de knopen ertussen. Kijk goed: elke luchtsteek heeft drie draaadjes. De meeste patronen vragen je door het middelste en het achterste draadj te haken, maar lees je patroon altijd goed na.
Veelgemaakte fouten bij haken opzetten
De ketting te strak haken is de meest voorkomende fout. Gebruik bij de opzetketting bewust één maatje grotere naald dan je voor de rest van het project gebruikt. Daarna schakel je terug naar de juiste naald. Zo voorkom je een stijve beginrand.
Een andere valkuil: de steken verkeerd tellen. Tel elke lus op de naald als één steek en tel de opzetlus nooit mee. Markeer je beginpunt met een stukje garen in een andere kleur of een stekenmarkeerder. Dat scheelt een hoop natelwerk.
Oefen de opzetlus en de ketting een paar keer opnieuw als het niet meteen lukt. Trek de draad er gewoon weer uit en begin opnieuw. Garen kun je zonder problemen hergebruiken. Na tien tot twintig luchtsteken oefenen voelt het al een stuk natuurlijker, en de rest van het haken bouwt voort op precies deze twee handelingen.

Leave a Reply