Lossen haken: zo maak je de basissteek stap voor stap

Written by

in

Lossen haken is de allereerste steek die je leert als beginning haakster of haakster. Een losse steek (ook wel “kettingsteek” of “luchtsteek” genoemd) vormt de basis van vrijwel elk haakpatroon. Je gebruikt het om een beginrij te maken waarop je verder haakt, of om een rondje te sluiten.

Wat is een losse steek?

Een losse steek is een enkelvoudige lus die je maakt door de draad door een bestaande lus te halen. Je maakt er een reeks van voor je begint te haken: dit heet een “luchtketting” of “lossenrij”. Die rij geeft de breedte of het startpunt van je werk aan. In een patroon zie je de losse steek vaak afgekort als “ls”.

De losse steek ziet er simpel uit, maar de spanning waarmee je haakt maakt een groot verschil. Hak je te strak, dan trek je de lussen dicht en lukt het niet om later de haak erdoorheen te steken. Hak je te los, dan krijg je een slappe, ongelijke ketting. Het doel is een gelijkmatige rij met lussen die makkelijk bewegen over de haak.

Lossen haken: stap voor stap

Hier lees je precies hoe je een losse steek maakt. Zorg dat je een haak en wat garen bij de hand hebt.

  • Stap 1: Maak een beginlus. Leg het garen over je vinger en steek de haak door de lus. Trek het garen iets aan zodat de lus om de haak zit, maar niet te strak.
  • Stap 2: Leg de draad over de haak. Beweeg de haak van voor naar achter onder de draad door. Dit heet “omslaan” of “inhaken”.
  • Stap 3: Trek de draad door de lus. Haal de haak met de nieuwe lus door de bestaande lus op de haak. Je hebt nu één losse steek gemaakt.
  • Stap 4: Herhaal. Leg de draad opnieuw over de haak en trek die door de nieuwe lus. Elke keer dat je dit doet, groeit de ketting met één losse steek.

Tel je steken terwijl je haakt. Patronen geven aan hoeveel lossen je nodig hebt, bijvoorbeeld “haak 20 ls”. Tel na afloop nog een keer na, want een steek meer of minder geeft al snel een scheef resultaat.

Veelgemaakte fouten bij lossen haken

De beginlus (ook wel “slipknoop” of “schuifsteek”) telt normaal niet mee als losse steek. Kijk in je patroon of dit vermeld staat, want niet alle patronen zijn daar even duidelijk over. Twijfel je, tel de beginlus dan niet mee.

Een andere veelgemaakte fout is te strak haken uit spanning. Dat is begrijpelijk als je net begint, maar merk je dat je haak moeilijk beweegt? Gebruik dan tijdelijk een maatnummer groter dan het patroon aangeeft, totdat je spanning gelijkmatiger wordt.

Sommige beginners haken per ongeluk in de beginlus zelf als ze de lossenrij klaar hebben. De eerste echte steek van de volgende rij zet je in de tweede losse steek vanaf de haak, tenzij het patroon iets anders zegt.

Waarvoor gebruik je een lossenrij?

Je maakt een lossenrij bijna altijd aan het begin van een haakwerk. Wil je een sjaal, een rechthoekige lap of een potlappendekentje haken? Dan begin je met een rij lossen die zo breed is als je eindproduct moet worden. Bij rondjes of amigurumi begin je vaak met een magische ring of een klein aantal lossen die je tot een rondje sluit.

Losse steken gebruik je ook midden in een patroon: om bogen te maken, ruimte te overbruggen of versieringen te haken. In kanten patronen zie je soms lange stukken lossen achter elkaar, afgewisseld met vaste of stokjes.

Zodra je de losse steek onder de knie hebt, ligt de weg open naar de rest van de basistechnieken zoals vaste steken en stokjes. De lossenrij is klein, maar het is de steek waarop al het andere rust.

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *