Author: Gerda

  • Stokjes haken tweede toer: zo doe je het stap voor stap

    Stokjes haken tweede toer: zo doe je het stap voor stap

    Bij de tweede toer stokjes haken begin je niet in de eerste lucht van de vorige toer, maar in het tweede steekje vanaf de haak. Dat is precies waar veel beginners de fout in gaan. In deze uitleg leer je hoe je de tweede toer correct uitvoert, welke steekjes je overslaat en waarom, en hoe je aan het einde van de toer netjes keert.

    Stokjes haken tweede toer: de basis

    Een stokje heeft een hoogte van drie lossen. Dat betekent dat je aan het begin van elke nieuwe toer drie keerlossen haakt. Die drie keerlossen vervangen het eerste stokje van de rij. Omdat die keerlossen al de hoogte van een stokje innemen, sla je het eerste steekje van de toer over. Je haakt je eerste echte stokje dus in het tweede steekje van de vorige toer.

    Zo ziet dat er in de praktijk uit: je keert je werk, haakt drie keerlossen, en gaat dan met je haak door het tweede steekje van de rij eronder. Pak de draad op, trek hem door, pak de draad opnieuw op en trek door twee lussen, en nog een keer door de laatste twee lussen. Dat is je eerste stokje van de nieuwe toer.

    Stap voor stap door de tweede toer

    Hieronder staan de stappen overzichtelijk op een rij:

    • Hak aan het einde van de eerste toer een slipsteek in het laatste steekje om de toer te sluiten (bij toerhaken in de rondte), of keer gewoon je werk om (bij heen-en-weertoeren).
    • Hak drie keerlossen. Dit zijn de vervangende keerlossen voor het eerste stokje.
    • Sla het eerste steekje van de rij eronder over.
    • Steek de haak door het tweede steekje (beide lissen van de V aan de bovenkant van de steek).
    • Omslaan, trek de draad door het steekje. Je hebt nu drie lussen op je haak.
    • Omslaan, trek door twee lussen. Je hebt nu twee lussen op je haak.
    • Omslaan, trek door de laatste twee lussen. Het stokje is klaar.
    • Herhaal dit in elk volgend steekje tot het einde van de toer.
    • Hak het laatste stokje in het derde keerlus van de vorige toer. Zo sluit je de toer netjes af.

    Waarom het eerste steekje overslaan?

    Als je de drie keerlossen niet meerekent als stokje en toch in het eerste steekje haakt, krijg je aan het begin van je toer een steekje te veel. Je werk wordt dan aan de zijkant breder. Omgekeerd: als je de keerlossen wél als stokje meetelt maar ook nog een stokje in het eerste steekje maakt, heb je hetzelfde probleem. Door het eerste steekje over te slaan compenseer je de hoogte van de keerlossen en blijft de telling kloppen.

    Aan het einde van de toer sluit je af door een stokje te haken in de derde keerlus van de vorige toer. Die derde lus is de bovenkant van de keerlossen die destijds het eerste stokje vervingen. Zo houd je het aantal stokjes per toer gelijk.

    Veelgemaakte fouten bij de tweede toer

    De meest voorkomende fout is haken in het eerste steekje in plaats van het tweede. Je telt dan de keerlossen niet mee en eindigt met één stokje te veel. Tellen helpt: leg je werk na elke toer even neer en tel het aantal stokjes. Klopt het niet, dan is dat het moment om terug te gaan in plaats van door te haken.

    Een andere valkuil is het overslaan van het laatste stokje aan het einde van de toer. Beginners missen soms de derde keerlus omdat die er minder duidelijk uitziet dan een gewone steek. Als je aan het einde van een toer een stokje te weinig hebt, is dit waarschijnlijk de oorzaak.

    Met een beetje oefening gaat het haken van de tweede toer stokjes vanzelf. Tel de eerste paar toeren bewust mee en je merkt snel of je op de goede weg bent.

  • Rond koord haken: zo doe je het stap voor stap

    Rond koord haken: zo doe je het stap voor stap

    Rond koord haken is een techniek waarbij je een stevig, gevuld koord maakt door rondom een kern te haken. Het resultaat is een mooi afgewerkt koord dat je kunt gebruiken als hengsel van een tas, als riem, als haarband of als decoratief koord. De techniek is eenvoudiger dan het eruitziet en geschikt voor beginners die al basistechnieken kennen.

    Wat heb je nodig?

    Voor het haken van een rond koord heb je maar weinig materiaal nodig. Zorg in elk geval voor:

    • Haakgaren of macramégaren (dikte naar keuze, afhankelijk van het gewenste resultaat)
    • Een haaknaald die past bij de garenmaat (check de aanbevolen naaldmaat op het label)
    • Eventueel een kern, zoals een touw of een dikke draad, om het koord steviger te maken
    • Een schaar

    Wil je een extra stevig en vol koord? Gebruik dan een kern van touw of katoen vanbinnen. Je haakt daar letterlijk omheen, zodat het koord zijn ronde, volle vorm krijgt. Zonder kern lukt het ook, maar dan is het eindresultaat iets soepeler en minder strak.

    Rond koord haken: de basisstappen

    De techniek voor een rond gehaakt koord is gebaseerd op vaste steken in een ring. Je werkt in spiraalvorm, steeds rondom, zonder te sluiten met een kettingsteek. Zo bouw je laagje voor laagje een hol of gevuld koord op.

    1. Begin met een magische ring of een kleine ketting. Maak 4 tot 6 kettingsteken en sluit die tot een ringetje. Dit is je startpunt.
    2. Haak vaste steken in de ring. Werk 6 vaste steken in de ring. Sluit de ronde niet; ga direct door in een spiraal.
    3. Ga door zonder te sluiten. Haak steeds 1 vaste steek in elke steek van de vorige ronde. Heb je een kern, dan schuif je die mee naar binnen terwijl je haakt.
    4. Blijf herhalen tot de gewenste lengte. Hoe langer je doorgaat, hoe langer je koord wordt. Voor een tasriem heb je al snel 40 tot 60 centimeter nodig, voor een sleutelhanger een paar centimeter.
    5. Afwerken. Knip het garen af en verberg de einddraden door ze met de naald door een paar steken te halen.

    Het werken in spiraal zonder te sluiten is het sleutelmoment van deze techniek. Daardoor ontstaat de karakteristieke ronde, gelijkmatige vorm. Zet een stopnaald of een stukje garen als markering in de eerste steek van elke ronde, zodat je niet de tel kwijtraakt.

    Variaties en tips voor een mooier resultaat

    Met meer of minder steken in de startring pas je de dikte van het koord aan. Begin je met 4 steken, dan wordt het koord slank en strak. Begin je met 8, dan wordt het dikker en zachter. Probeer verschillende combinaties uit met een restje garen voordat je aan een groter project begint.

    De keuze van het garen maakt veel uit. Katoen geeft een stevig, mat koord dat goed in vorm blijft. Acrylgaren is goedkoper en verkrijgbaar in veel kleuren, maar kan wat zachter en minder strak aanvoelen. Macramégaren of touwgaren geeft een robuuster resultaat, ideaal voor tashengsels die veel gewicht moeten dragen.

    Wil je een tweekleurig koord maken? Wissel halverwege van garen door het oude garen weg te knippen en het nieuwe garen aan te haken met een gewone knoop of door het einde te verstoppen in de kern. Dit werkt het makkelijkst als je ook een kern gebruikt, want die verbergt de overgang netjes.

    Veelgemaakte fouten bij het haken van rond koord

    Een veelgemaakte fout is dat het koord begint te draaien of te kantelen. Dat gebeurt meestal als je de steken ongelijk aantrekt. Probeer bij elke steek dezelfde spanning te houden. Haal de lus niet te strak en niet te los door de steek. Na een tijdje gaat dit vanzelf.

    Soms raken beginners de tel kwijt doordat ze te snel werken zonder markering. Zet altijd een stitch marker in de eerste steek van elke ronde. Dat kost een paar seconden extra, maar voorkomt dat je halverwege opnieuw moet beginnen.

    Een te kleine haaknaald ten opzichte van het garen maakt haken zwaar en het koord te strak. Een te grote naald geeft een luchtig, open resultaat. Kijk op de garnenwikkel voor de aanbevolen naaldmaat; dat is je beste startpunt.

    Eenmaal onder de knie is rond koord haken een snelle en bevredigende techniek. In een uurtje heb je al een stevig koord van 30 centimeter klaarliggen, klaar om aan een tas te naaien of als sleutelhanger te gebruiken.

  • Meerderen haken: zo doe je het stap voor stap

    Meerderen haken: zo doe je het stap voor stap

    Meerderen bij het haken betekent dat je extra steken toevoegt aan je werk, zodat het breder of groter wordt. Dit doe je door in één bestaande steek twee nieuwe steken te haken in plaats van één. Het is een van de basisvaardigheden die je nodig hebt zodra je vormen wilt maken, zoals rondjes, driehoeken of gestructureerde vlakken.

    Wat is meerderen bij haken precies?

    Wanneer je haakt zonder te meerderen, blijft het aantal steken in elke toer gelijk. Je werk groeit dan alleen in hoogte, niet in breedte. Door te meerderen voeg je een extra steek toe op een bepaalde plek, waardoor de rand of het vlak breder wordt. Dit is anders dan minderen, waarbij je steken samenvoegt zodat het werk smaller wordt.

    Bij platte vlakken gebruik je meerderen aan de zijkanten. Bij rondjes of spiraalvormen verdeel je de meerdersteken gelijkmatig over de toer, zodat het werk mooi plat blijft zonder te krullen.

    Stap voor stap meerderen met een vaste steek

    De vaste steek is de meest gebruikte steek om te meerderen. Hieronder zie je hoe je dat doet:

    • Haal de haak door de steek waar je wilt meerderen.
    • Pak de draad en trek die door de steek, zodat je twee lussen op je haak hebt.
    • Pak de draad opnieuw en trek die door beide lussen. Je hebt nu één vaste steek gemaakt.
    • Haal de haak opnieuw door dezelfde steek als waar je net in haakte.
    • Herhaal stap 2 en 3. Je hebt nu twee vaste steken in één steek gehaakt, dat is één meerderpunt.

    Op die plek zit nu één steek meer dan er in de vorige toer stond. Bij een toer van bijvoorbeeld 10 steken waarbij je op twee plaatsen meerders, eindig je op 12 steken.

    Waar zet je de meerdersteken neer?

    De plek waar je meerders bepaalt de vorm van je haakwerk. Bij een plat vierkant of rechthoek meerder je aan het begin en einde van elke toer. Bij een cirkel verdeel je de meerdersteken gelijkmatig. Een veelgebruikte verdeling voor een cirkel ziet er zo uit:

    • Toer 1: 6 vaste steken in een magische ring.
    • Toer 2: in elke steek meerderen, totaal 12 steken.
    • Toer 3: afwisselend 1 vaste steek en 1 meerderpunt, totaal 18 steken.
    • Toer 4: 2 vaste steken, dan 1 meerderpunt, totaal 24 steken.

    Het patroon is steeds: één vaste steek meer per blokje voor elke extra toer. Zo blijft de cirkel plat en krijg je geen bolle of komvorm.

    Meerderen met andere steken

    Je kunt ook meerderen met een halve vaste steek, een stokje of een dubbel stokje. De techniek is altijd hetzelfde: je haakt twee (of soms zelfs drie) steken in dezelfde onderliggende steek. Gebruik je hogere steken zoals een stokje, dan valt het meerderpunt meer op in je werk. Dat kan decoratief zijn, maar het kan ook onbedoeld een bobbel geven als je de steken niet gelijkmatig verspreidt.

    Bij amigurumi (gehaakt speelgoed) werk je vrijwel altijd met vaste steken en volg je een vast meerderschema. Bij kleding of omslagdoeken wissel je vaker af en staat het meerderschema in het patroon beschreven.

    Veelgemaakte fouten bij het meerderen

    Een veelgemaakte fout is dat je de meerderpunten niet terug kunt vinden in je volgende toer. Gebruik een steekaanwijzer of een stukje contrasterende draad om de plek te markeren waar je gaat meerderen. Zo houd je de telling bij en voorkom je dat je werk scheef groeit.

    Een andere valkuil is te strak of te los haken in het meerderpunt. Hak je te strak, dan trekt het werk samen. Hak je te los, dan ontstaan er zichtbare gaten. Probeer je spanning gelijk te houden aan die in de rest van je werk.

    Meerderen is een kleine handeling met grote invloed op de vorm van je project. Oefen het meerderpunt eerst los op een lapje voor je het in een patroon toepast, dan zit het er snel in.

  • Reliëfstokje haken voor en achter: zo doe je het stap voor stap

    Reliëfstokje haken voor en achter: zo doe je het stap voor stap

    Een reliëfstokje haken voor en achter is een techniek waarbij je je haaknaald niet door de gewone lussen steekt, maar rondom de steel van een stokje uit de vorige toer. Dat geeft een duidelijk zichtbaar ribbel- of reliëfeffect in je werk. Het verschil tussen “voor” en “achter” bepaalt aan welke kant de bult verschijnt.

    Deze steek komt veel voor in manchetten, mutsen, mandala’s en andere projecten waar je structuur en textuur wilt toevoegen. Met een beetje oefening is het een van de makkelijkst te leren reliëftechnieken in het haken.

    Het verschil tussen reliëfstokje voor en reliëfstokje achter

    Bij een gewoon stokje steek je de haaknaald door een lus. Bij een reliëfstokje ga je juist rondom de steel van een stokje van de vorige toer. Dat is het basisidee.

    Bij het reliëfstokje voor steek je de haaknaald van vóór naar achter, rondom de steel van het stokje. De bult die ontstaat, komt naar voren, richting jou. Dit heet ook wel een “uitliggend” reliëfstokje.

    Bij het reliëfstokje achter doe je precies het omgekeerde: je steekt de naald van achter naar voren, rondom de steel van hetzelfde stokje. De bult valt nu naar de achterkant van je werk. Dit heet ook wel een “inliggend” reliëfstokje.

    Gebruik je beide afwisselend in dezelfde toer, dan krijg je het klassieke ribbelmotief. Staan de voor-stokjes boven de voor-stokjes van de vorige toer, dan heb je een verticaal rib. Dat is hoe een ribbelsteek (zoals bij een ribbelsjaal of een manchet) werkt.

    Stap voor stap: reliëfstokje voor haken

    Begin met een basis van gewone stokjes (minstens 1 toer). Zet daarna je ophaalsteek zoals gebruikelijk voor een stokje.

    • Sla de draad om je haaknaald (omslaan).
    • Steek de haaknaald van vóór naar achter, rechts van de steel van het stokje dat je wilt omhaken.
    • Ga achter de steel langs en kom weer tevoorschijn aan de linkerkant van diezelfde steel, ook aan de voorkant.
    • Sla de draad om en trek een lus door (je hebt nu 3 lussen op de naald).
    • Werk het stokje af zoals gewoon: 2 keer omslaan en doorhalen tot er 1 lus overblijft.

    De bult ligt nu aan de voorkant. Dat is je reliëfstokje voor.

    Stap voor stap: reliëfstokje achter haken

    De beweging is het spiegelbeeld van het reliëfstokje voor.

    • Sla de draad om je haaknaald (omslaan).
    • Steek de haaknaald van achter naar voren, rechts van de steel van het stokje.
    • Ga voor de steel langs en steek de naald van voren naar achter aan de linkerkant van die steel.
    • Sla de draad om en trek een lus door (3 lussen op de naald).
    • Werk af zoals een gewoon stokje.

    De bult ligt nu aan de achterkant van je werk. Omdat je werkt met een recht (plat) lapje of in de ronde, bepaalt dit welke kant “mooi” is.

    Veelgemaakte fouten bij het reliëfstokje voor en achter

    De meest voorkomende fout is dat je toch door een lus prikt in plaats van rondom de steel. Controleer altijd of je naald écht om de steel heen gaat, niet erdoorheen. Het helpt om je vorige toer iets losser te haken, zodat er genoeg ruimte is voor de naald.

    Een andere valkuil is vergeten op te halen. Je begint een reliëfstokje net als een gewoon stokje, dus: eerst omslaan, dan instoken. Doe je dat niet, dan krijg je een halve stokje of een onjuist aantal lussen.

    Let ook op de hoogte. Een reliëfstokje is even hoog als een gewoon stokje, maar de steel die je omhaakt zit in de vorige toer. Zorg dat je ophaalsteek aan het begin van de toer klopt met de hoogte van je stokjes, anders trekt het werk samen.

    Wanneer gebruik je welke variant?

    Als je in de ronde haakt (zoals bij een muts of manchet), werk je bijna altijd afwisselend reliëfstokje voor en achter. Zo krijg je aan de buitenkant een mooi ribbelpatroon. Bij plat haken (heen en terug) keer je het aan het einde van elke toer om, wat betekent dat een reliëfstokje voor in de ene richting automatisch een reliëfstokje achter wordt in de terugtoer, als je het boven hetzelfde stokje haakt.

    In mandala’s en bloemmotieven worden reliëfstokjes vaak losser ingezet om een 3D-effect te maken, bijvoorbeeld als bloemblaadje dat omhoog of omlaag wijst. Daar kies je bewust voor vóór of achter, afhankelijk van welke kant het motief moet uitsteken.

    Oefen beide varianten eerst apart op een klein lapje van zo’n 15 stokjes breed. Als je het verschil voelt in de beweging van je naald, gaat het combineren vanzelf. Het reliëfstokje voor en achter haken vraagt even gewenning, maar na een paar rijen zit het in je vingers.

  • Matrassteek haken: zo zet je haakwerk onzichtbaar aan elkaar

    Matrassteek haken: zo zet je haakwerk onzichtbaar aan elkaar

    Met de matrassteek zet je twee losse stukken haakwerk stevig en bijna onzichtbaar aan elkaar. Je werkt de steek met een naald en draad langs de buitenrand van beide stukken, zodat de naad nauwelijks zichtbaar is aan de voorkant. Dat maakt de matrassteek de populairste manier om onderdelen van een haakproject samen te voegen, zoals de zijkanten van een tas, de naden van een trui of de randen van kussens.

    Wat heb je nodig?

    Voor de matrassteek heb je maar weinig materiaal nodig. Je werkt niet met een haaknaaldje, maar met een stompe naald met een groot oog, vaak een borduurnaald of tapisserienaald genoemd. Zorg dat de naald past bij de dikte van je draad. Verder heb je een stuk draad nodig dat lang genoeg is om de hele naad te naaien, bij voorkeur in dezelfde kleur als je haakwerk. Reken op een draadje dat minstens drie keer zo lang is als de naad die je gaat naaien.

    Hoe doe je de matrassteek bij haakwerk?

    Leg de twee stukken haakwerk naast elkaar op een plat vlak, met de goede kanten naar boven. Je werkt langs de buitenranden, niet met de stukken op elkaar gevouwen. Dat is het grote verschil met de zogenoemde sluiting van binnenuit. Volg dit stappenplan:

    • Rijg de naald in met draad en maak aan het einde een knoop.
    • Steek de naald van voren naar achteren door de eerste steek van het linker stuk.
    • Steek de naald daarna van voren naar achteren door de eerste steek van het rechter stuk.
    • Trek de draad voorzichtig aan totdat de randen naar elkaar toe trekken, maar niet samentrekken.
    • Ga naar de volgende steek en herhaal: steek de naald telkens door de overeenkomende steken aan weerszijden.
    • Controleer regelmatig of de naad recht blijft en of de spanning van de draad gelijkmatig is.
    • Eindig met een dubbele knoop aan de achterkant en werk de draad weg in het haakwerk.

    Wil je een extra stevige naad? Ga dan na afloop nog een keer terug langs de naad met een tweede lijn steken, precies naast de eerste. Dat is handig bij tassen of kledingstukken die veel belasting krijgen.

    Matrassteek haken: tips voor een nette naad

    Een veelgemaakte fout is de draad te strak aantrekken. Daardoor trekt de naad samen en ontstaat er een ongewenste bult. Trek de draad steeds even strak aan als de steken van het haakwerk zelf. Werk rustig en controleer elke drie à vier steken of de randen netjes recht liggen.

    Gebruik bij voorkeur hetzelfde type draad als waarmee je gehaakt hebt. Een gladde katoenen draad werkt makkelijker door het haakwerk dan een pluizige mohair, maar beide kunnen prima worden gebruikt zolang de dikte overeenkomt. Bij sterk kleurverschil in je project kun je kiezen voor een draad die past bij de dominante kleur, zodat de naad het minst opvalt.

    Zorg ook dat je per rij of per steek matcht, niet willekeurig. Tel de steken aan beide kanten goed mee, zeker als je twee stukken samenvoegt die even groot moeten zijn. Een rij extra of minder aan één kant valt meteen op in het eindresultaat.

    Wanneer kies je voor de matrassteek en wanneer niet?

    De matrassteek is ideaal als je een platte, egale naad wilt die aan de voorkant niet zichtbaar is. Dat werkt goed bij stevige garens en rechte naden. Bij rondere vormen, zoals het sluiten van een bolvorm of het aaneenrijgen van losse granny squares, werkt een andere techniek soms beter, zoals de blinde naad of het simpelweg vasthaken van twee randen met een haaknaaldje.

    De matrassteek vraagt wat oefening, maar is geen moeilijke techniek. Na een paar centimeter voelt het snel vertrouwd aan. Voor wie voor het eerst haakonderdelen samenvoegt, is dit een van de meest betrouwbare manieren om een nette afwerking te krijgen.

  • Muts haken met stokjes: zo maak je een warme muts stap voor stap

    Muts haken met stokjes: zo maak je een warme muts stap voor stap

    Een muts haken met stokjes is een van de snelste manieren om een warme muts te maken, ook als je nog weinig ervaring hebt met haken. Stokjes zijn hogere steken dan gewone vaste steken, waardoor je razendsnel hoogte opbouwt en de muts in één of twee avonden af is. Je hebt maar één soort steek nodig, een beetje gedulg, en het goede garen.

    Dit artikel legt precies uit hoe je een muts haakt met stokjes: welke materialen je nodig hebt, hoe je begint, en waar de meeste beginners de fout ingaan.

    Wat heb je nodig om een muts te haken met stokjes?

    Je hebt voor dit project maar weinig materialen nodig. Een dikker garen werkt het snelst en geeft een mooie, warme muts. Kies een garen van dikte 5 (bulky) of 6 (super bulky) voor een muts die snel klaar is. Dunner garen kan ook, maar dan duurt het langer en heb je een kleinere haaknaald nodig.

    • Garen: ongeveer 100 tot 150 gram voor een volwassen muts, dikte 5 of 6
    • Haaknaald: maat 6 mm tot 8 mm, afhankelijk van de garenmaat
    • Een schaar en een borduurnaald om de draadeinden weg te werken

    Controleer altijd het label van je garen. Daarop staat welke haaknaaldmaat de fabrikant aanraadt. Gebruik je een te dunne naald voor je garen, dan wordt de muts stijf en krap. Gebruik je een te dikke naald, dan wordt het haakwerk los en rekbaar.

    Muts haken met stokjes: de basissteken die je nodig hebt

    Je hebt voor een eenvoudige muts met stokjes maar één steek echt nodig: het stokje (ook wel “halve vaste” of “hoge steek” afhankelijk van de methode). Een stokje maak je zo:

    • Sla het garen één keer om de naald (aanslag)
    • Steek de naald in de steek van de vorige toer
    • Haal het garen door de steek zodat je drie lussen op de naald hebt
    • Haal het garen door de eerste twee lussen
    • Haal het garen door de overgebleven twee lussen

    Dat is één stokje. Het is iets meer werk dan een vaste steek, maar je bouwt veel sneller hoogte op. Eén toer stokjes staat gelijk aan ongeveer drie toeren vaste steken. Dat scheelt flink in de haaktijd.

    Hoe begin je: de luchtsteekring of magische ring?

    Een muts haak je van boven (het hoofdje van de muts) naar beneden, in een spiraal of in ronden. Je begint met een startring. Er zijn twee veelgebruikte manieren:

    Luchtsteekring: Haak een ketting van een paar luchtsteekjes en sluit die tot een ring met een halve vaste steek. Dit is makkelijker voor beginners en geeft een stevige start.

    Magische ring: Je maakt een verstelbare lus van het garen, haak daarin je eerste steken, en trek daarna de ring dicht. Dit geeft een netter gat bovenop de muts, maar vraagt wat oefening.

    Begin met zes stokjes in de ring voor de eerste ronde. Daarna verdubbel je het aantal steken per ronde (meerdere stokjes in één steek) totdat de platte cirkel de juiste diameter heeft voor het hoofd. Dan stop je met vermeerderen en haak je rechtdoor omhoog tot de muts de gewenste diepte heeft.

    Maten en aantallen: hoe groot moet de muts zijn?

    Een standaard volwassen muts heeft een omtrek van ongeveer 54 tot 58 cm. Haak de muts iets kleiner dan de werkelijke hoofdomtrek, zodat hij goed om het hoofd spant en niet afzakt. Een verschil van 2 tot 4 cm kleiner dan de hoofdomtrek is gebruikelijk.

    Maat Hoofdomtrek Muts omtrek (gehaakt)
    Kind (4-8 jaar) circa 50 cm circa 46-48 cm
    Tiener/klein volwassen circa 54 cm circa 50-52 cm
    Volwassen gemiddeld circa 56-58 cm circa 53-55 cm

    De hoogte van een muts voor volwassenen is doorgaans 22 tot 26 cm, gemeten van de top tot de rand. Wil je een omgeslagen rand (ribrand), tel die dan mee in de totale hoogte.

    Veelgemaakte fouten bij het haken van een muts met stokjes

    De spanning in je haakwerk is de meest bepalende factor. Haak je te strak, dan wordt de muts te klein en te stijf. Haak je te los, dan krijg je een slappe muts die niet blijft zitten. Maak altijd een klein proeflapje van tien bij tien centimeter en tel hoeveel stokjes en ronden je daarin hebt. Vergelijk dat met het patroon en pas zo nodig de naaldmaat aan.

    Een andere veelgemaakte fout is het vergeten te tellen. Houd bij elke ronde het aantal steken bij. Verlies je steken of voeg je er per ongeluk eentje toe, dan trekt de muts scheef of wordt de rand ongelijk. Een steekhoudertje of een stukje gekleurige draad als markeringssteek helpt je op de goede plek te blijven.

    Afwerking van de muts

    Is de muts de juiste hoogte? Sluit dan de laatste ronde af met een halve vaste steek en knip het garen af met ongeveer 15 cm staart. Werk die staart met een borduurnaald door een paar steken aan de binnenkant zodat hij niet uitrafelt. De staart bovenaan de muts, vanuit de startring, trek je strak aan en werk je ook weg.

    Wil je een ribrand? Dan haak je aan de onderkant van de muts in vaste steken of halve stokjes door de achterlus van de steek. Dat geeft het typische geribbelde effect dat goed om de oren sluit.

    Een muts haken met stokjes is een ideaal project als je net begint of snel iets wilt maken. Met het juiste garen en een patroon voor jouw maat ben je in een avond klaar. De sleutel zit in een goed proeflapje aan het begin, zodat je muts precies past zonder te gissen.

  • Platte cirkel haken met stokjes: zo doe je het stap voor stap

    Platte cirkel haken met stokjes: zo doe je het stap voor stap

    Een platte cirkel haken met stokjes is eenvoudiger dan het lijkt. Je begint met een magische ring of een klein aantal luchtsteekjes, en bouwt de cirkel van binnenuit op door in elke ronde het juiste aantal stokjes toe te voegen. Zo blijft de cirkel plat liggen en trekt hij niet op tot een komvorm.

    Stokjes zijn ideaal voor een platte cirkel omdat ze langer zijn dan vaste steken. Daardoor kun je in elke ronde makkelijker genoeg steken toevoegen om de omtrek bij te houden. Het resultaat is een egale, strakke cirkel die je kunt gebruiken als onderzetter, tasbodem of decoratie.

    De basis: magische ring of beginluchtsteekjes

    Je kunt een platte cirkel op twee manieren starten. De eerste manier is de magische ring: je maakt een lus van je draad, haalt een steek door de lus en trekt hem daarna strak. Dit geeft een nette, gesloten cirkel in het midden zonder gaatje. De tweede manier is 4 luchtsteekjes haken en deze sluiten tot een ringetje met een hechting. Beide methodes werken, maar de magische ring geeft een strakker resultaat in het midden.

    Platte cirkel haken met stokjes: de steken per ronde

    De truc achter een platte cirkel is dat je in elke ronde een vast aantal steken vermeerdert. Voor stokjes werkt het volgende schema:

    • Ronde 1: Haak 3 luchtsteekjes (telt als eerste stokje), dan nog 11 stokjes in de ring. Sluit met een hechting. Totaal: 12 stokjes.
    • Ronde 2: Haak in elke steek 2 stokjes. Totaal: 24 stokjes.
    • Ronde 3: Haak afwisselend 1 stokje en 2 stokjes in één steek. Totaal: 36 stokjes.
    • Ronde 4: Haak 2 stokjes normaal, dan 2 stokjes in één steek. Herhaal dit patroon. Totaal: 48 stokjes.
    • Ronde 5 en verder: Voeg per ronde 12 stokjes toe door de toenames steeds een positie op te schuiven.

    De vuistregel is dus: voeg per ronde 12 stokjes toe. Doe je er minder, dan krult de cirkel omhoog. Doe je er meer, dan gaat hij golven. Telt je steken na elke ronde even, dan ontdek je fouten vroeg genoeg om ze nog recht te zetten.

    Hoe je de ronden aangeeft en sluit

    Je kunt de ronden op twee manieren werken: in spiraalvorm (zonder te sluiten) of gesloten per ronde met een hechting. Voor een strakke, nette cirkel is gesloten werken het makkelijkst. Aan het begin van elke gesloten ronde haak je 3 luchtsteekjes als vervanging voor het eerste stokje. Aan het einde sluit je de ronde met een hechting door de haak in de derde luchtsteek van het begin te steken.

    Werk je in spiraal, dan vermijd je het kleine trapje dat zichtbaar is bij gesloten ronden. Het nadeel is dat je goed moet bijhouden waar de ronde begint en eindigt. Een steekmarkeerder op de eerste steek van elke ronde helpt daarbij.

    Van kleur wisselen in je cirkel

    Een kleurwissel in een platte cirkel met stokjes doe je het mooist aan het einde van een ronde. Haak de laatste hechting van de ronde met je nieuwe kleur. Laat een staartje van een centimeter of 8 van de oude kleur hangen en werk dat later weg door het in te haken aan de achterkant. Zo krijg je een strakke overgang zonder dat de kleuren door elkaar lopen aan de voorkant.

    Wil je meerdere kleuren in één ronde, dan kun je de draad losknippen na het deel dat je met die kleur haakt en de volgende kleur opnieuw aansluiten. Dit geeft meer eindjes om in te werken, maar ook meer vrijheid in je kleurpatroon.

    Veelgemaakte fouten en hoe je ze voorkomt

    De meest voorkomende fout is dat de cirkel omhoog kult. Dit betekent bijna altijd dat je te weinig toenames hebt gemaakt. Tel je steken aan het einde van elke ronde, zodat je zeker weet dat het schema klopt. Een tweede valkuil is te strak haken: de steken zitten dan zo dicht op elkaar dat de cirkel niet meer mooi plat wil liggen. Probeer met een grotere haak te werken of ontspan je grip op de draad.

    Hak je per ongeluk in het luchtsteekje aan het begin van de ronde in plaats van in het echte stokje, dan telt dat als een extra steek. Dat lijkt klein, maar over meerdere ronden loopt dit op. Wees dus bewust waar je elke ronde eindigt en begint.

    Met een beetje oefening haak je een strakke, egale cirkel die plat blijft liggen. Begin met een eenvoudige kleur zodat je de steken goed kunt tellen, en voeg daarna kleuring toe zodra je het basispatroon onder de knie hebt.