Een stokje haken is een van de meest gebruikte steken in de haakwereld. Het is een hogere steek dan een vaste of een halve vaste steek, wat betekent dat je werk sneller groeit en een luchtig, open resultaat krijgt. Zodra je de basissteek onder de knie hebt, kun je er bijna elk haakpatroon mee maken.
Wat heb je nodig?
Je hebt een haaknaald en garen nodig. De maat van de naald hangt af van het garen dat je gebruikt. Op elke bol garen staat een aanbevolen naaldikte, vaak ergens tussen 3 en 6 mm voor standaard acryl- of katoengaren. Begin bij voorkeur met een lichte kleur garen, zodat je de steken goed kunt zien terwijl je oefent.
Stokje haken: de stap voor stap uitleg
Begin met een luchtsteekregel als basis. Dit is je startpunt. Zorg dat je genoeg luchtsteken hebt voor de breedte die je wilt maken.
- Stap 1: breng het garen over de naald. Voordat je de naald in de steek steekt, leg je eerst het garen één keer over de naald (van achter naar voren). Dit heet een “omslag” maken.
- Stap 2: steek de naald in de steek. Prik de haaknaald in de tweede luchtsteek van de naald af (of in de aangewezen steek van de vorige rij).
- Stap 3: pak het garen op. Haal het garen door de steek heen. Je hebt nu drie lussen op je naald staan.
- Stap 4: haal door twee lussen. Haal het garen door de eerste twee lussen op de naald. Er blijven nu twee lussen over.
- Stap 5: sluit de steek. Haal het garen nog een keer door de laatste twee lussen. Je hebt nu één lus over op de naald. Het stokje is klaar.
Herhaal dit proces voor elke volgende steek in je rij. Aan het einde van een rij maak je twee of drie keersteken (luchtsteken), afhankelijk van het patroon, voordat je het werk omdraait.
Veelgemaakte fouten bij het stokje
De meeste beginners vergeten de omslag aan het begin van de steek. Zonder omslag maak je geen stokje, maar een vaste of een halve vaste steek. Let er ook op dat je niet te strak of te los haakt: als je de lussen nauwelijks van de naald af krijgt, haak je te strak. Haak iets losser door je grip op het garen te ontspannen.
Een andere valkuil is het missen van de keersteken aan het begin van een nieuwe rij. Zonder die keersteken worden je rijen aan de zijkanten steeds korter. Twee luchtsteken als keersteken is het meest gebruikelijk bij stokjes, al kan dat per patroon iets verschillen.
Hoogte van een stokje vergeleken met andere steken
Het is handig om te weten hoe een stokje zich verhoudt tot andere steken, want dat bepaalt ook hoeveel keersteken je aan het begin van een rij maakt:
| Steek | Omslagen voor het insteken | Keersteken per rij |
|---|---|---|
| Vaste steek | Geen | 1 |
| Halve vaste steek | 1 | 2 |
| Stokje | 1 | 2 tot 3 |
| Dubbel stokje | 2 | 4 |
Het stokje zit qua hoogte precies tussen de halve vaste steek en het dubbele stokje in. Dit maakt het zo veelzijdig: het is hoog genoeg om snel te gaan, maar niet zo hoog dat het werk te open of slap wordt.
Waarvoor gebruik je het stokje?
Het stokje is de basis van tientallen haakpatronen. Denk aan sjaals, spencers, tassen, dekentjes en bloemmotieven. Bijna elk haakpatroon dat je tegenkomt gebruikt het stokje als vertrekpunt of combineert het met andere steken. Als je het stokje goed beheerst, kun je de meeste patronen voor beginners en gevorderden volgen.
Oefen eerst een paar rijen stokjes in een rechthoekige lap voordat je aan een echt project begint. Zo krijg je gevoel voor het ritme: omslag, insteken, garen ophalen, twee keer door twee lussen halen. Dat ritme gaat na een half uurtje oefenen al een stuk vloeiender, en dan gaat het haken van stokjes vanzelf.

Leave a Reply