Bij de tweede toer stokjes haken begin je niet in de eerste lucht van de vorige toer, maar in het tweede steekje vanaf de haak. Dat is precies waar veel beginners de fout in gaan. In deze uitleg leer je hoe je de tweede toer correct uitvoert, welke steekjes je overslaat en waarom, en hoe je aan het einde van de toer netjes keert.
Stokjes haken tweede toer: de basis
Een stokje heeft een hoogte van drie lossen. Dat betekent dat je aan het begin van elke nieuwe toer drie keerlossen haakt. Die drie keerlossen vervangen het eerste stokje van de rij. Omdat die keerlossen al de hoogte van een stokje innemen, sla je het eerste steekje van de toer over. Je haakt je eerste echte stokje dus in het tweede steekje van de vorige toer.
Zo ziet dat er in de praktijk uit: je keert je werk, haakt drie keerlossen, en gaat dan met je haak door het tweede steekje van de rij eronder. Pak de draad op, trek hem door, pak de draad opnieuw op en trek door twee lussen, en nog een keer door de laatste twee lussen. Dat is je eerste stokje van de nieuwe toer.
Stap voor stap door de tweede toer
Hieronder staan de stappen overzichtelijk op een rij:
- Hak aan het einde van de eerste toer een slipsteek in het laatste steekje om de toer te sluiten (bij toerhaken in de rondte), of keer gewoon je werk om (bij heen-en-weertoeren).
- Hak drie keerlossen. Dit zijn de vervangende keerlossen voor het eerste stokje.
- Sla het eerste steekje van de rij eronder over.
- Steek de haak door het tweede steekje (beide lissen van de V aan de bovenkant van de steek).
- Omslaan, trek de draad door het steekje. Je hebt nu drie lussen op je haak.
- Omslaan, trek door twee lussen. Je hebt nu twee lussen op je haak.
- Omslaan, trek door de laatste twee lussen. Het stokje is klaar.
- Herhaal dit in elk volgend steekje tot het einde van de toer.
- Hak het laatste stokje in het derde keerlus van de vorige toer. Zo sluit je de toer netjes af.
Waarom het eerste steekje overslaan?
Als je de drie keerlossen niet meerekent als stokje en toch in het eerste steekje haakt, krijg je aan het begin van je toer een steekje te veel. Je werk wordt dan aan de zijkant breder. Omgekeerd: als je de keerlossen wél als stokje meetelt maar ook nog een stokje in het eerste steekje maakt, heb je hetzelfde probleem. Door het eerste steekje over te slaan compenseer je de hoogte van de keerlossen en blijft de telling kloppen.
Aan het einde van de toer sluit je af door een stokje te haken in de derde keerlus van de vorige toer. Die derde lus is de bovenkant van de keerlossen die destijds het eerste stokje vervingen. Zo houd je het aantal stokjes per toer gelijk.
Veelgemaakte fouten bij de tweede toer
De meest voorkomende fout is haken in het eerste steekje in plaats van het tweede. Je telt dan de keerlossen niet mee en eindigt met één stokje te veel. Tellen helpt: leg je werk na elke toer even neer en tel het aantal stokjes. Klopt het niet, dan is dat het moment om terug te gaan in plaats van door te haken.
Een andere valkuil is het overslaan van het laatste stokje aan het einde van de toer. Beginners missen soms de derde keerlus omdat die er minder duidelijk uitziet dan een gewone steek. Als je aan het einde van een toer een stokje te weinig hebt, is dit waarschijnlijk de oorzaak.
Met een beetje oefening gaat het haken van de tweede toer stokjes vanzelf. Tel de eerste paar toeren bewust mee en je merkt snel of je op de goede weg bent.

Leave a Reply