Leren haken begint met drie basissteken: de vaste, de halve stok en de stok. Zodra je die onder de knie hebt, kun je al een hoop maken. Haken is een handwerktechniek waarbij je met een haaknaald en garen lussen met elkaar verbindt. Het vraagt wat geduld aan het begin, maar de meeste mensen pakken de basistechniek op in een paar uur oefenen.
Wat heb je nodig om te beginnen met haken?
Je hebt maar twee dingen nodig om te starten: een haaknaald en garen. Voor beginners is een naald van 4 tot 5 mm een goede keuze. Dit formaat is groot genoeg om goed te zien wat je doet, maar niet zo groot dat het garen snel misgaat. De dikte van je naald staat altijd op de verpakking van je garen, en die twee horen bij elkaar te passen.
Kies als beginner voor een dik, glad garen in een lichte kleur. Donker garen maakt het moeilijker om je steken te tellen, en een ruig of harig garen verbergt fouten maar maakt het ook lastig om te zien waar je naald naartoe moet. Katoen of een eenvoudige acrylwol van ongeveer 4 tot 5 mm dik is ideaal. In de meeste borduurwinkels of online shops vind je startkits met naald en garen samen, wat makkelijk is als je niet weet wat je moet kiezen.
De eerste stap: een luchtketting maken
Elk haakwerk begint met een luchtketting. Dat is een rij lussen die als fundament dient voor je werk. Je maakt eerst een beginlus (ook wel sliplus of beginring), die je aan de haaknaald hangt. Daarna haal je steeds nieuw garen door de lus die al op je naald staat. Elke keer dat je dat doet, maak je één luchtsteek. Zo ontstaat een ketting van lussen.
Probeer je luchtketting gelijkmatig te haken. Niet te strak en niet te los. Als de lussen zo stijf zijn dat je er nauwelijks doorheen kunt, ontspan je handen dan een beetje. Als je ketting krult of te los aanvoelt, oefen dan met een iets stevigere greep. Dit gaat vanzelf beter naarmate je meer oefent.
De drie basissteken bij het leren haken
Na de luchtketting leer je de drie steken die de basis vormen van vrijwel alle haakpatronen:
- Vaste steek: de kleinste en strakste steek. Je steekt je naald in een steek van de vorige rij, haalt garen door en haalt dat meteen door de lus op je naald. Geeft een dichte, stevige stof.
- Halve stok: iets hoger dan de vaste steek. Je haalt garen over de naald (omslaan), steekt de naald in de steek, haalt garen door en trekt het dan in één keer door alle drie de lussen op je naald.
- Stok: de meest gebruikte steek in haakpatronen. Je begint ook met omslaan, steekt de naald in, haalt garen door, en trekt dan twee keer door twee lussen. Stokjes geven een luchtiger, soepeler resultaat dan vasten.
Oefen elke steek afzonderlijk op een rechthoekig lapje van twintig bij twintig luchtsteken. Zo zie je snel het verschil tussen de steken en went je hand aan de beweging. Tellen is hierbij belangrijk: houd bij hoeveel steken je in elke rij maakt, zodat je werk niet breder of smaller wordt.
Veelgemaakte fouten als je begint met haken
De meest voorkomende fout bij beginners is te strak haken. Je werk wordt dan hard en krimpt samen, en het is bijna onmogelijk om je naald in de volgende rij te steken. De oplossing is simpel: bewust je handen ontspannen en het garen iets losser laten lopen.
Een andere valkuil is vergeten te tellen. Als je halverwege een rij een steek mist of er eentje te veel maakt, loopt de vorm scheef. Leg een stukje ander garen als teller aan het begin van een rij, of gebruik een rijenteller. Dat klinkt omslachtig, maar het bespaart veel hoofdpijn.
Beginners slaan ook regelmatig de keersteken over. Aan het begin van elke nieuwe rij moet je een of meer luchtsteken maken om op de juiste hoogte te beginnen. Voor vasten is dat één luchtsteek, voor stokjes zijn dat drie. Sla je die over, dan trekt de rand van je werk samen.
Je eerste project kiezen
De beste eerste projecten zijn eenvoudig en vlak: een washandje, een onderzetter of een simpele sjaal. Die bestaan uit rijen herhaling, zonder toe- of afnemen. Dat is precies wat je nodig hebt om de basistechniek in je vingers te krijgen zonder dat je ook nog eens een patroon moet interpreteren.
Een washandje van katoen maak je in een paar avonden. Je begint met een luchtketting van ongeveer dertig steken en haakt rij voor rij vasten of stokjes totdat het lapje vierkant is. Dat is alles. Als je dat lukt, weet je dat je de basis beheerst en kun je een iets ingewikkelder patroon aanpakken.
Hoe je een haakpatroon leest
Haakpatronen gebruiken afkortingen. In Nederlandse patronen zie je veel: lk (luchtsteek), vst (vaste steek), hst (halve stok), st (stok). In internationale (Engelse) patronen gelden andere afkortingen, zoals ch (chain), sc (single crochet) en dc (double crochet). Let altijd op welke taal en welk systeem een patroon gebruikt, want de Engelse en Nederlandse termen komen niet één op één overeen.
Veel patronen werken ook met haakschema’s: tekeningen van symbolen die de steken weergeven. Een rondje staat voor een luchtsteek, een kruisje voor een vaste steek. Zodra je de basissteken herkent in hun symbool, kun je een schema lezen als een kaart. Dat is vaak makkelijker dan lange uitgeschreven instructies volgen.
Beginnen met haken gaat het snelst als je de basisteken een paar keer herhaalt op een oefenstuk voordat je aan een echt project begint. De techniek zit in de beweging van je handen, en die beweging leer je door te doen, niet door te lezen. Geef jezelf de ruimte om fouten te maken en ze opnieuw te haken. Na een paar eenvoudige projecten merk je dat het echt snel gaat.

Leave a Reply