Een trui haken is goed te doen, ook als je al wat haakervaring hebt maar nog nooit kleding hebt gemaakt. Je werkt van bovenaf of van onderaf, volgt een patroon met maten en stelsteekjes, en bouwt het stuk op tot een draagbaar kledingstuk. Hieronder lees je precies hoe je een gehaakte trui aanpakt: van het kiezen van het juiste garen tot het naaien van de mouwen.
Wat je nodig hebt voor een gehaakte trui
Het materiaal bepaalt voor een groot deel hoe de trui valt en aanvoelt. Kies voor kleding bij voorkeur een garen dat soepel is en meegaat met het lichaam. Merino wol, katoen of een mix van beide werken goed. Harde of stugge garens zijn minder prettig direct op de huid en vallen vaak niet mooi. Kijk op de band van het garen naar het gewicht: voor een gewone trui gebruik je meestal een DK-garen (licht gewicht) of een aran-garen (middel gewicht).
Naast garen heb je een haaknaald nodig in de maat die bij het garen past. Die maat staat op de garenlabel. Voor kleding heb je ook speldennaald (stomp) en naaimaten nodig om later de onderdelen aan elkaar te naaien. Verder zijn stikselmarkeringen handig om steken te tellen, en een meetlint om de maten te controleren.
Een patroon kiezen dat bij jou past
Begin bij voorkeur met een patroon dat speciaal voor beginners met kleding is gemaakt. Een top-down raglan trui (waarbij je van de hals naar beneden werkt, zonder naden) is voor veel hakers de makkelijkste instap. Je hoeft dan geen onderdelen aan elkaar te naaien en je ziet meteen hoe het geheel groeit. Patronen voor een bottom-up trui (van de onderkant omhoog) zijn iets gevorderd, maar geven meer controle over de lengte.
Lees het patroon eerst helemaal door voordat je begint. Controleer voor welke maten het patroon geschikt is en of de maten overeen komen met jouw lijfmaten. Haakmaten zijn niet hetzelfde als confectiematen: meet je borstomtrek, taille en heupen op en vergelijk dat met de maattabel in het patroon.
Het belang van een proeflapje
Hak altijd eerst een proeflapje van minstens 10 x 10 cm in het steekpatroon dat je in de trui gaat gebruiken. Was het lapje daarna op de manier waarop je de trui later ook gaat wassen. Veel garens, en zeker wol, krimpen of worden groter na het wassen. Meet daarna hoeveel steken en toeren je hebt per 10 cm. Dit heet de steekdichtheid of gauge.
Klopt jouw steekdichtheid niet met die in het patroon? Verander dan de maat van je haaknaald. Heb je te veel steken per 10 cm, gebruik dan een dikkere naald. Heb je te weinig steken, gebruik dan een dunnere naald. Sla dit stap niet over: een verschil van een halve steek per centimeter leidt bij een trui al snel tot een kledingstuk dat tien centimeter te groot of te klein is.
Trui haken: de opbouw stap voor stap
- Hals of onderkant beginnen: afhankelijk van het patroon begin je met een luchtsteekketting voor de halsopening (top-down) of voor de breedte van het voor- of achterpand (bottom-up).
- Raglanvermeerderingen of panden opbouwen: bij een raglan haak je op vaste punten elke toer extra steken bij, zodat het kledingstuk de schouderlijn vormt. Bij losse panden haak je voor- en achterpand apart.
- Mouwen apart of in het geheel: bij een top-down raglan hak je de mouwen als onderdeel van het geheel en splits je ze later af. Bij losse panden haak je de mouwen apart.
- Verbindingen naaien: haak je met losse panden, dan naai je die aan het einde aan elkaar met een stomp naald en bijpassend garen. Gebruik een matraasstiksel voor een strakke, bijna onzichtbare naad.
- Afwerking: haak of brei een boord om de hals, manchetten en onderkant. Dit geeft de trui een nette afwerking en houdt de randen strak.
Veelgemaakte fouten bij het haken van een trui
De meeste mislukte truien zijn te wijten aan het overslaan van het proeflapje. Dat is verreweg de meest gemaakte fout. Daarnaast tellen mensen de steken te weinig. Bij een sjaal merk je een fout van twee steken nauwelijks, maar bij een trui kan dat betekenen dat een mouw niet past. Tel je steken aan het einde van elke toer, en gebruik steekmarkeringen bij raglanpunten of andere kritieke plekken.
Een andere valkuil is garen te weinig inschatten. Voor een gemiddelde trui in maat M gebruik je met aran-garen al snel 600 tot 900 gram garen, afhankelijk van het patroon en de armlengte. Koop altijd extra, bij voorkeur uit dezelfde partijnummer, want kleuren kunnen per partij licht verschillen.
Welke steek gebruik je voor een trui?
De vaste steek is de meest gebruikte steek voor truien omdat hij compact en stevig is. Veel patronen werken ook met halve stokjes of stokjes voor een luchtiger effect. Wil je een warme, dikke trui? Kies dan voor de vaste steek of de ribbelsteek. Wil je een luchtig zomers model? Dan werken stokjes of netten beter. Lees in het patroon welke steek gebruikt wordt en oefen die steek eerst op het proeflapje.
Een gehaakte trui kost tijd, zeker als het jouw eerste kledingstuk is. Reken voor een gemiddelde trui op tien tot dertig uur haakwerk, afhankelijk van je snelheid en het patroon. Die tijd loont: het resultaat is een kledingstuk dat precies op jouw maten is gemaakt, in de kleur en het garen dat jij hebt gekozen. Begin met een eenvoudig top-down patroon, hak je proeflapje en tel je steken, dan kom je een heel eind.

Leave a Reply