Category: Haaksteken

Alle steken los uitgelegd: vaste, stokjes, halve stokjes, wafelsteek, granietsteek en meer.

  • Matrassteek haken: zo zet je haakwerk onzichtbaar aan elkaar

    Matrassteek haken: zo zet je haakwerk onzichtbaar aan elkaar

    Met de matrassteek zet je twee losse stukken haakwerk stevig en bijna onzichtbaar aan elkaar. Je werkt de steek met een naald en draad langs de buitenrand van beide stukken, zodat de naad nauwelijks zichtbaar is aan de voorkant. Dat maakt de matrassteek de populairste manier om onderdelen van een haakproject samen te voegen, zoals de zijkanten van een tas, de naden van een trui of de randen van kussens.

    Wat heb je nodig?

    Voor de matrassteek heb je maar weinig materiaal nodig. Je werkt niet met een haaknaaldje, maar met een stompe naald met een groot oog, vaak een borduurnaald of tapisserienaald genoemd. Zorg dat de naald past bij de dikte van je draad. Verder heb je een stuk draad nodig dat lang genoeg is om de hele naad te naaien, bij voorkeur in dezelfde kleur als je haakwerk. Reken op een draadje dat minstens drie keer zo lang is als de naad die je gaat naaien.

    Hoe doe je de matrassteek bij haakwerk?

    Leg de twee stukken haakwerk naast elkaar op een plat vlak, met de goede kanten naar boven. Je werkt langs de buitenranden, niet met de stukken op elkaar gevouwen. Dat is het grote verschil met de zogenoemde sluiting van binnenuit. Volg dit stappenplan:

    • Rijg de naald in met draad en maak aan het einde een knoop.
    • Steek de naald van voren naar achteren door de eerste steek van het linker stuk.
    • Steek de naald daarna van voren naar achteren door de eerste steek van het rechter stuk.
    • Trek de draad voorzichtig aan totdat de randen naar elkaar toe trekken, maar niet samentrekken.
    • Ga naar de volgende steek en herhaal: steek de naald telkens door de overeenkomende steken aan weerszijden.
    • Controleer regelmatig of de naad recht blijft en of de spanning van de draad gelijkmatig is.
    • Eindig met een dubbele knoop aan de achterkant en werk de draad weg in het haakwerk.

    Wil je een extra stevige naad? Ga dan na afloop nog een keer terug langs de naad met een tweede lijn steken, precies naast de eerste. Dat is handig bij tassen of kledingstukken die veel belasting krijgen.

    Matrassteek haken: tips voor een nette naad

    Een veelgemaakte fout is de draad te strak aantrekken. Daardoor trekt de naad samen en ontstaat er een ongewenste bult. Trek de draad steeds even strak aan als de steken van het haakwerk zelf. Werk rustig en controleer elke drie à vier steken of de randen netjes recht liggen.

    Gebruik bij voorkeur hetzelfde type draad als waarmee je gehaakt hebt. Een gladde katoenen draad werkt makkelijker door het haakwerk dan een pluizige mohair, maar beide kunnen prima worden gebruikt zolang de dikte overeenkomt. Bij sterk kleurverschil in je project kun je kiezen voor een draad die past bij de dominante kleur, zodat de naad het minst opvalt.

    Zorg ook dat je per rij of per steek matcht, niet willekeurig. Tel de steken aan beide kanten goed mee, zeker als je twee stukken samenvoegt die even groot moeten zijn. Een rij extra of minder aan één kant valt meteen op in het eindresultaat.

    Wanneer kies je voor de matrassteek en wanneer niet?

    De matrassteek is ideaal als je een platte, egale naad wilt die aan de voorkant niet zichtbaar is. Dat werkt goed bij stevige garens en rechte naden. Bij rondere vormen, zoals het sluiten van een bolvorm of het aaneenrijgen van losse granny squares, werkt een andere techniek soms beter, zoals de blinde naad of het simpelweg vasthaken van twee randen met een haaknaaldje.

    De matrassteek vraagt wat oefening, maar is geen moeilijke techniek. Na een paar centimeter voelt het snel vertrouwd aan. Voor wie voor het eerst haakonderdelen samenvoegt, is dit een van de meest betrouwbare manieren om een nette afwerking te krijgen.

  • Platte cirkel haken met stokjes: zo doe je het stap voor stap

    Platte cirkel haken met stokjes: zo doe je het stap voor stap

    Een platte cirkel haken met stokjes is eenvoudiger dan het lijkt. Je begint met een magische ring of een klein aantal luchtsteekjes, en bouwt de cirkel van binnenuit op door in elke ronde het juiste aantal stokjes toe te voegen. Zo blijft de cirkel plat liggen en trekt hij niet op tot een komvorm.

    Stokjes zijn ideaal voor een platte cirkel omdat ze langer zijn dan vaste steken. Daardoor kun je in elke ronde makkelijker genoeg steken toevoegen om de omtrek bij te houden. Het resultaat is een egale, strakke cirkel die je kunt gebruiken als onderzetter, tasbodem of decoratie.

    De basis: magische ring of beginluchtsteekjes

    Je kunt een platte cirkel op twee manieren starten. De eerste manier is de magische ring: je maakt een lus van je draad, haalt een steek door de lus en trekt hem daarna strak. Dit geeft een nette, gesloten cirkel in het midden zonder gaatje. De tweede manier is 4 luchtsteekjes haken en deze sluiten tot een ringetje met een hechting. Beide methodes werken, maar de magische ring geeft een strakker resultaat in het midden.

    Platte cirkel haken met stokjes: de steken per ronde

    De truc achter een platte cirkel is dat je in elke ronde een vast aantal steken vermeerdert. Voor stokjes werkt het volgende schema:

    • Ronde 1: Haak 3 luchtsteekjes (telt als eerste stokje), dan nog 11 stokjes in de ring. Sluit met een hechting. Totaal: 12 stokjes.
    • Ronde 2: Haak in elke steek 2 stokjes. Totaal: 24 stokjes.
    • Ronde 3: Haak afwisselend 1 stokje en 2 stokjes in één steek. Totaal: 36 stokjes.
    • Ronde 4: Haak 2 stokjes normaal, dan 2 stokjes in één steek. Herhaal dit patroon. Totaal: 48 stokjes.
    • Ronde 5 en verder: Voeg per ronde 12 stokjes toe door de toenames steeds een positie op te schuiven.

    De vuistregel is dus: voeg per ronde 12 stokjes toe. Doe je er minder, dan krult de cirkel omhoog. Doe je er meer, dan gaat hij golven. Telt je steken na elke ronde even, dan ontdek je fouten vroeg genoeg om ze nog recht te zetten.

    Hoe je de ronden aangeeft en sluit

    Je kunt de ronden op twee manieren werken: in spiraalvorm (zonder te sluiten) of gesloten per ronde met een hechting. Voor een strakke, nette cirkel is gesloten werken het makkelijkst. Aan het begin van elke gesloten ronde haak je 3 luchtsteekjes als vervanging voor het eerste stokje. Aan het einde sluit je de ronde met een hechting door de haak in de derde luchtsteek van het begin te steken.

    Werk je in spiraal, dan vermijd je het kleine trapje dat zichtbaar is bij gesloten ronden. Het nadeel is dat je goed moet bijhouden waar de ronde begint en eindigt. Een steekmarkeerder op de eerste steek van elke ronde helpt daarbij.

    Van kleur wisselen in je cirkel

    Een kleurwissel in een platte cirkel met stokjes doe je het mooist aan het einde van een ronde. Haak de laatste hechting van de ronde met je nieuwe kleur. Laat een staartje van een centimeter of 8 van de oude kleur hangen en werk dat later weg door het in te haken aan de achterkant. Zo krijg je een strakke overgang zonder dat de kleuren door elkaar lopen aan de voorkant.

    Wil je meerdere kleuren in één ronde, dan kun je de draad losknippen na het deel dat je met die kleur haakt en de volgende kleur opnieuw aansluiten. Dit geeft meer eindjes om in te werken, maar ook meer vrijheid in je kleurpatroon.

    Veelgemaakte fouten en hoe je ze voorkomt

    De meest voorkomende fout is dat de cirkel omhoog kult. Dit betekent bijna altijd dat je te weinig toenames hebt gemaakt. Tel je steken aan het einde van elke ronde, zodat je zeker weet dat het schema klopt. Een tweede valkuil is te strak haken: de steken zitten dan zo dicht op elkaar dat de cirkel niet meer mooi plat wil liggen. Probeer met een grotere haak te werken of ontspan je grip op de draad.

    Hak je per ongeluk in het luchtsteekje aan het begin van de ronde in plaats van in het echte stokje, dan telt dat als een extra steek. Dat lijkt klein, maar over meerdere ronden loopt dit op. Wees dus bewust waar je elke ronde eindigt en begint.

    Met een beetje oefening haak je een strakke, egale cirkel die plat blijft liggen. Begin met een eenvoudige kleur zodat je de steken goed kunt tellen, en voeg daarna kleuring toe zodra je het basispatroon onder de knie hebt.