Meerderen bij het haken betekent dat je extra steken toevoegt aan je werk, zodat het breder of groter wordt. Dit doe je door in één bestaande steek twee nieuwe steken te haken in plaats van één. Het is een van de basisvaardigheden die je nodig hebt zodra je vormen wilt maken, zoals rondjes, driehoeken of gestructureerde vlakken.
Wat is meerderen bij haken precies?
Wanneer je haakt zonder te meerderen, blijft het aantal steken in elke toer gelijk. Je werk groeit dan alleen in hoogte, niet in breedte. Door te meerderen voeg je een extra steek toe op een bepaalde plek, waardoor de rand of het vlak breder wordt. Dit is anders dan minderen, waarbij je steken samenvoegt zodat het werk smaller wordt.
Bij platte vlakken gebruik je meerderen aan de zijkanten. Bij rondjes of spiraalvormen verdeel je de meerdersteken gelijkmatig over de toer, zodat het werk mooi plat blijft zonder te krullen.
Stap voor stap meerderen met een vaste steek
De vaste steek is de meest gebruikte steek om te meerderen. Hieronder zie je hoe je dat doet:
- Haal de haak door de steek waar je wilt meerderen.
- Pak de draad en trek die door de steek, zodat je twee lussen op je haak hebt.
- Pak de draad opnieuw en trek die door beide lussen. Je hebt nu één vaste steek gemaakt.
- Haal de haak opnieuw door dezelfde steek als waar je net in haakte.
- Herhaal stap 2 en 3. Je hebt nu twee vaste steken in één steek gehaakt, dat is één meerderpunt.
Op die plek zit nu één steek meer dan er in de vorige toer stond. Bij een toer van bijvoorbeeld 10 steken waarbij je op twee plaatsen meerders, eindig je op 12 steken.
Waar zet je de meerdersteken neer?
De plek waar je meerders bepaalt de vorm van je haakwerk. Bij een plat vierkant of rechthoek meerder je aan het begin en einde van elke toer. Bij een cirkel verdeel je de meerdersteken gelijkmatig. Een veelgebruikte verdeling voor een cirkel ziet er zo uit:
- Toer 1: 6 vaste steken in een magische ring.
- Toer 2: in elke steek meerderen, totaal 12 steken.
- Toer 3: afwisselend 1 vaste steek en 1 meerderpunt, totaal 18 steken.
- Toer 4: 2 vaste steken, dan 1 meerderpunt, totaal 24 steken.
Het patroon is steeds: één vaste steek meer per blokje voor elke extra toer. Zo blijft de cirkel plat en krijg je geen bolle of komvorm.
Meerderen met andere steken
Je kunt ook meerderen met een halve vaste steek, een stokje of een dubbel stokje. De techniek is altijd hetzelfde: je haakt twee (of soms zelfs drie) steken in dezelfde onderliggende steek. Gebruik je hogere steken zoals een stokje, dan valt het meerderpunt meer op in je werk. Dat kan decoratief zijn, maar het kan ook onbedoeld een bobbel geven als je de steken niet gelijkmatig verspreidt.
Bij amigurumi (gehaakt speelgoed) werk je vrijwel altijd met vaste steken en volg je een vast meerderschema. Bij kleding of omslagdoeken wissel je vaker af en staat het meerderschema in het patroon beschreven.
Veelgemaakte fouten bij het meerderen
Een veelgemaakte fout is dat je de meerderpunten niet terug kunt vinden in je volgende toer. Gebruik een steekaanwijzer of een stukje contrasterende draad om de plek te markeren waar je gaat meerderen. Zo houd je de telling bij en voorkom je dat je werk scheef groeit.
Een andere valkuil is te strak of te los haken in het meerderpunt. Hak je te strak, dan trekt het werk samen. Hak je te los, dan ontstaan er zichtbare gaten. Probeer je spanning gelijk te houden aan die in de rest van je werk.
Meerderen is een kleine handeling met grote invloed op de vorm van je project. Oefen het meerderpunt eerst los op een lapje voor je het in een patroon toepast, dan zit het er snel in.

Leave a Reply